Artikel
Ondernemen
Geschillen
Vennootschappen

Verbod op niet-concurrentie in commerciële contracten

Authors
Marlies Janssens
Avocat
NOMA blog bemiddeling aandeelhoudersgeschil vergunningsprocedure 1
Partager

Met welke bijzondere spelregels moet ik rekening houden bij handelsagentuur en franchise?

Voor niet-concurrentiebedingen in bijzondere overeenkomsten bestaat er naast het gemeen recht ook bijzondere wetgeving. Hierna belichten we eerst de toepasselijke regels voor verschillende soorten commerciële contracten en vervolgens de toepasselijke regels voor arbeidscontracten.

Niet-concurrentiebedingen in commerciële overeenkomsten

Er bestaan verschillende soorten commerciële contracten. Vaak voorkomende commerciële contracten zijn de handelsagentuurovereenkomst, de commissieovereenkomst, de verkoopconcessieovereenkomst en de franchiseovereenkomst.

Het keurslijf van de handelsagentuurovereenkomst


Het commerciële contract waarvoor de regels voor een geldig niet-concurrentiebeding het meest zijn uitgewerkt is de handelsagentuurovereenkomst. Een handelsagentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij een handelsagent permanent en tegen vergoeding zaken bemiddelt en eventueel afsluit, in naam van en voor rekening van zijn opdrachtgever, de “principaal”. Essentieel is dat de handelsagent hierbij niet onder het gezag van zijn principaal staat.

Hoe ver de niet-concurrentieverplichting van de handelsagent reikt, is afhankelijk van het tijdstip:

  1. Tijdens de handelsagentuurovereenkomst mag de handelsagent nevenactiviteiten uitoefenen of voor meerdere opdrachtgevers optreden, maar het uitoefenen van een concurrerende activiteit kan een schending uitmaken van de loyaliteitsplicht en de goede trouw. De handelsagentuurwet heeft deze situatie niet specifiek geregeld. Aangezien dit aanleiding geeft tot interpretatiemoeilijkheden en onzekerheid, voorzien partijen dus best een contractuele regeling. Hiervoor zullen partijen moeten voldoen aan de gemeenrechtelijke regels die werden behandeld in de vorige nieuwsbrief.
  2. Na de handelsagentuurovereenkomst kan de handelsagent gebonden zijn door een niet-concurrentiebeding, mits dit voldoet aan de dwingende voorwaarden voorzien in de handelsagentuurwet:
    a) Het beding moet schriftelijk bedongen zijn (in de handelsagentuurovereenkomst zelf of in een afzonderlijk contract).
    b) De concurrentie moet betrekking hebben op het soort zaken waarmee de handelsagent belast was.
    c) Het beding moet ofwel beperkt worden tot het geografische gebied en/of de klantenkring waarmee de handelsagent belast was.
    d) De concurrentie mag beperkt worden tot maximaal zes maanden na beëindiging van de overeenkomst.


Zelfs al voldoet het concurrentiebeding aan deze voorwaarden en is het dus principieel geldig, toch zal de principaal het niet kunnen toepassen in de volgende omstandigheden:

  • De principaal beëindigt de overeenkomst zonder dat er sprake is van (1) uitzonderlijke omstandigheden die de samenwerking onmogelijk maken of (2) een ernstige tekortkoming van de handelsagent.
  • De handelsagent beëindigt de overeenkomst omwille van (1) uitzonderlijke omstandigheden die de samenwerking onmogelijk maken of (2) een ernstige tekortkoming van de principaal.


De principaal zal ook de afweging moeten maken of een niet-concurrentiebeding wel wenselijk is. Dat de concurrentie ook na afloop van de overeenkomst verder beperkt wordt, beschouwt de wetgever immers als een vermoeden dat – enerzijds – de handelsagent nieuw cliënteel heeft aangebracht of de bestaande business van de principaal aanzienlijk heeft uitgebreid en – anderzijds – dat de principaal hieruit nog aanzienlijke voordelen zal realiseren. Als gevolg daarvan zal de principaal de handelsagent een uitwinningsvergoeding moeten betalen die kan oplopen tot het equivalent van één jaar vergoeding.

Conclusie: Niet-concurrentiebedingen na afloop van de handelsagentuurovereenkomst zijn onderworpen aan een strak regime. Daartegenover heeft de handelsagentuurovereenkomst dus wel het voordeel dat de wet een zeer duidelijk en stabiel kader schept.

De jungle van de commissieovereenkomst, verkoopconcessieovereenkomst en de franchiseovereenkomst


Waar handelsagentuurovereenkomsten nog onderworpen zijn aan een duidelijk kader, ontbreekt dit bij andere soorten commerciële contracten zoals:

  1. Een commissieovereenkomst: iedere overeenkomst waarbij de ene partij (de ‘committent’) de andere partij (de ‘commissionair’) belast met het stellen van een rechtshandeling (bijvoorbeeld het sluiten van een overeenkomst) in eigen naam maar voor rekening van de committent;
  2. Een verkoopconcessieovereenkomst: iedere overeenkomst waarin een concessiegever aan een concessiehouder het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hijzelf vervaardigt of verdeelt;
  3. Een franchiseovereenkomst: iedere overeenkomst waarbij een franchisegever aan de franchisenemer, tegen rechtstreekse of indirecte geldelijke vergoeding het recht verleent een franchiseonderneming te exploiteren door de afzet van bepaalde type goederen en/of verrichtingen van bepaalde diensten.


Bij gebrek aan een wettelijk kader zullen partijen zelf een contractuele regeling moeten uitwerken. Daarbij zullen ze moeten terugvallen op het gemeen recht, zoals uiteengezet in onze eerdere nieuwsbrief.

Enkel tijdens de duur van de franchiseovereenkomst bepaalt de wetgever dat de franchisenemer zich omwille van de goede trouw moet onthouden van het stellen van concurrerende handelingen. Na de beëindiging van de franchiseovereenkomst zijn partijen opnieuw aangewezen op het gemeen recht.

Invloed van het mededingingsrecht


Partijen moeten zich tot slot bewust zijn van de impact die de invoering van een niet-concurrentiebeding kan hebben op bepaalde vrijstellingen in het Europees mededingingsrecht.

Het Europees mededingingsrecht bewaakt de grenzen van de vrije concurrentie en legt daarom strenge regels op aan zogenaamde “horizontale” overeenkomsten, ofwel overeenkomsten tussen ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen werkzaam zijn (bijvoorbeeld twee grootwarenhuizen, beiden verkopers). De meeste commerciële contracten die hierboven besproken werden, zullen beschouwd worden als zogenaamde “verticale” overeenkomsten, ofwel overeenkomsten tussen ondernemingen die op verschillende niveaus van de productie- of distributieketen werkzaam zijn (bijvoorbeeld een producent en een verkoper), waardoor ze in sommige gevallen worden vrijgesteld van bepaalde mededingingsrechtelijke regels.

Afhankelijk van het soort niet-concurrentiebeding, gelden er echter beperkingen:

  1. Tijdens de duur van de verticale overeenkomst moet het niet-concurrentiebeding beperkt blijven tot maximaal vijf jaar.
  2. Na afloop van de verticale overeenkomst moet de duur beperkt worden tot maximaal één jaar, moet er sprake zijn van essentiële knowhow die beschermd wordt én moet de niet-concurrentieverplichting beperkt worden tot het verkooppunt waar de afnemer actief was.
  3. Een algemeen verbod op de verkoop van concurrerende merken (bijvoorbeeld alle concurrerende merken van een bepaald type wagen) is wél toegelaten, maar een gerichte boycot tegen een bepaald merk (bijvoorbeeld specifiek BMW en Mercedes) niet.


De impact hiervan mag evenwel ook niet overroepen worden: als het niet-concurrentiebeding deze grenzen overschrijdt, dan is de sanctie niet dat de volledige overeenkomst plots wél onderworpen wordt aan de strenge mededingingsrechtelijke regels, maar louter dat het niet-concurrentiebeding onafdwingbaar is.

Als partijen zeker willen zijn van een geldig concurrentiebeding, dan worden deze beperkingen dus best niet overschreden.

Niet-concurrentiebedingen in arbeidsovereenkomsten

Ook aan werknemers kan u een niet-concurrentiebeding opleggen. De bijzondere voorwaarden voor deze bedingen zijn opgenomen in de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978.

Terwijl in commerciële contracten vooral de vrijheid van ondernemen zal spelen, telt in de arbeidsovereenkomst voornamelijk de vrijheid van arbeid: iedereen heeft het recht om te werken en om een vrij gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen.

De wet legt zelf al bepaalde beperkingen op aan werknemers. Zowel tijdens als na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst mag de werknemer immers:

  1. Geen bedrijfsgeheimen van zijn werkgever op onrechtmatige wijze verkrijgen, gebruiken of openbaar maken;
  2. Geen geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden bekendmaken waarvan hij in de uitoefening van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben;
  3. Geen daden van oneerlijke concurrentie stellen of daaraan meewerken.


Willen werkgevers deze wettelijke beperking uitbreiden en bijvoorbeeld ook eerlijke concurrentie beperken, dan strijdt dit met de vrijheid van arbeid. Een niet-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst is daarom enkel toegelaten als het voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • Het loon van de betrokken werknemer heeft een impact op de geldigheid van het niet-concurrentiebeding:

    Tabel loon werknemer

    Bij gebrek aan CAO kunnen de functies op ondernemingsniveau worden bepaald, mits akkoord tussen de werkgever en de representatieve werknemersorganisaties.

  • Het niet-concurrentiebeding geldt enkel voor soortgelijke activiteiten.
  • Het niet-concurrentiebeding is geografisch beperkt tot de plaatsen waar de werknemer de werkgever werkelijk concurrentie kan aandoen, gelet op de aard van de onderneming en haar actieradius. Het beding mag niet verder reiken dan België.
  • Het niet-concurrentiebeding geldt niet langer dan twaalf maanden vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd.
  • De werkgever moet de werknemer verplicht een vergoeding betalen, tenzij hij binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst afziet van de werkelijke toepassing van het niet-concurrentiebeding.
    • Het minimumbedrag van die vergoeding is gelijk aan de helft van het brutoloon van de werknemer dat overeenstemt met de toepassingsduur van het beding. Geldt het beding bijvoorbeeld voor de maximumduur van twaalf maanden, dan zal de werkgever de werknemer een vergoeding moeten betalen gelijk aan zes maanden brutoloon.
    • De basis van dat bedrag wordt gevormd door het brutoloon dat de werknemer heeft ontvangen gedurende de maand voorafgaand aan de dag waarop de dienstbetrekking een einde heeft genomen. Stopt de arbeidsovereenkomst bijvoorbeeld in november, dan zal het maandloon van oktober de berekeningsbasis vormen.
  • Het niet-concurrentiebeding moet verplicht schriftelijk overeengekomen worden.
  • Paritaire comités kunnen nog bijkomende modaliteiten bepalen.


Zelfs al voldoet het concurrentiebeding aan deze voorwaarden en is het dus principieel geldig, toch zal de werkgever het niet kunnen toepassen als de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt in de volgende omstandigheden:

  • Tijdens de eerste zes maanden na de aanvang van de arbeidsovereenkomst.
  • Door de werkgever zonder dringende reden in hoofde van de werknemer.
  • Door de werknemer omwille van een dringende reden in hoofde van de werkgever.


Voormelde voorwaarden zijn van toepassing op zowel handarbeiders (“werklieden”) als hoofdarbeiders (“bedienden”). Werkgevers die echter

  1. een internationaal activiteitsveld of belangrijke economische, technische of financiële belangen hebben op de internationale markten en/of
  2. over een eigen dienst voor onderzoek beschikken,


kunnen een ruimer niet-concurrentiebeding opleggen, het zogenaamd “afwijkend niet-concurrentiebeding”. De wetgever neemt immers aan dat het voor deze werkgevers fundamenteel is om hun knowhow te kunnen beschermen.

Zo’n afwijkend beding is weliswaar enkel mogelijk voor bedienden die binnen die onderneming werken uitvoeren die hen rechtstreeks of onrechtstreeks in staat stellen kennis te verkrijgen van praktijken die eigen zijn aan de onderneming en waarvan het benutten, buiten de onderneming, voor deze laatste nadelig kan zijn. Voor deze bedienden kan een niet-concurrentieverplichting:

  • Wél worden opgelegd buiten België;
  • Wél langer duren dan twaalf maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
  • Wél uitwerking hebben als de werkgever de werknemer ontslaat zonder dringende reden of als de arbeidsovereenkomst al tijdens de eerste zes maanden wordt beëindigd.
    Voor het overige gelden dezelfde voorwaarden als voor de gewone niet-concurrentiebedingen (bijvoorbeeld wat betreft de loongrenzen en de vergoeding).


Indien een werkman of een bediende een geldig niet-concurrentiebeding overtreedt, dan bepaalt de arbeidsovereenkomstenwet de volgende sanctie: de werknemer moet én de vergoeding terugbetalen én daarbovenop nog eens datzelfde bedrag betalen als schadevergoeding. De rechter kan dit bedrag verhogen of verlagen op verzoek van een van de partijen.

U merkt het: als u de vrijheid van ondernemen of de vrijheid van arbeid van uw contractpartij wil beperken om uw eigen onderneming te beschermen tegen daden van concurrentie, dan moet u met heel wat zaken rekening houden. Met deze drie tips komt u al een heel eind:

  1. Beperk elk niet-concurrentiebeding uitdrukkelijk, zowel in de tijd, in de ruimte als wat betreft de niet-toegelaten activiteiten.
  2. Voorzie in uw contract zowel een deelbaarheidsbeding als een forfaitair schadebeding om bewijsproblemen achteraf te vermijden.
  3. Heb naast het gemeen recht ook aandacht voor bijzondere wetgeving, zoals bijvoorbeeld de handelsagentuurwet of de arbeidsovereenkomstenwet.


NOMA, uw juridisch ankerpunt bij contracten en arbeidsrecht

Of u nu een handelsagentuurovereenkomst afsluit, een franchisenetwerk uitbouwt of een werknemer aan een niet-concurrentiebeding wil binden: de spelregels verschillen per situatie, en de gevolgen van een verkeerd beding zijn niet min. De advocaten van NOMA begeleiden u bij het opstellen van een geldig en afdwingbaar beding, afgestemd op uw concrete situatie. Wenst u graag bijstand bij het opstellen van een geldige clausule of concreet advies over de verschillende mogelijkheden? Aarzel niet om de experten van NOMA te contacteren.

À propos
Marlies Janssens

Marlies Janssens behaalde haar master in de rechten aan de Universiteit Gent en is sinds 2023 actief als advocaat. Met een brede interesse in M&A, contracten, vennootschapsrecht en vastgoedrecht, werkt Marlies nauw samen met haar cliënten om op maat gemaakte juridische oplossingen te bieden. Ze hecht veel waarde aan helder taalgebruik en een transparante communicatie, zodat elke cliënt precies weet waar ze aan toe zijn in hun dossier. Haar proactieve houding en oog voor detail maken haar een gewaardeerde partner in zowel ondernemingsrecht als geschillenbeslechting.

CTA blog

Faire appel à un avocat spécialisé?

L'équipe de NOMA est à votre disposition pour vous fournir des conseils spécialisés et un accompagnement sur mesure dans un cadre confidentiel!

N'hésitez pas à nous contacter pour une consultation personnelle dans nos bureaux de Bruxelles, Bruges ou Courtrai.

Podcast

Des conseils juridiques en route ?

Bienvenue sur Law by NOMA, un regard lucide sur l'actualité juridique. Dans ce podcast, les avocats de NOMA partagent leur expertise. Pratique, accessible et concret, ce podcast s'adresse aux entrepreneurs et aux entreprises ambitieuses.

Restez informé par email