Hoe kan ik concurrentie door mijn contractpartij geldig beperken?
Het niet-concurrentiebeding versus de vrijheid van ondernemen
Stel: twee contractspartijen werken samen om een bepaald product of dienst aan te bieden. Om hun samenwerking alle kansen te bieden, willen de partijen afspreken om elkaar geen concurrentie aan te doen. Hoe kunnen de partijen dit als verbintenis opnemen in hun contract?
De vrijheid van ondernemen is niet absoluut
Als uitgangspunt geldt de vrijheid van ondernemen: iedereen is vrij om een economische activiteit naar keuze uit te oefenen. Hieruit volgt dat ondernemingen met elkaar mogen concurreren, ook al ondervinden andere ondernemingen hierdoor schade (bv. verlies van winst, personeel, cliënteel…). De vrijheid van ondernemen is zelfs van openbare orde. Dit betekent dat partijen hiervan in hun contract in principe niet kunnen afwijken.
Deze vrijheid is evenwel niet absoluut, maar wordt op twee manieren begrensd:
- Enerzijds zijn er wettelijke regels die concurrentie beteugelen. Denk maar aan oneerlijke marktpraktijken zoals een concurrent zwartmaken of zijn bedrijfsgeheimen gebruiken zonder toestemming. Dit is oneerlijke concurrentie en daarom bij wet verboden.
- Anderzijds kunnen partijen onderlinge concurrentie ook beteugelen in een contract door middel van een zogenaamd “niet-concurrentiebeding”. Hiermee kunnen partijen niet enkel oneerlijke concurrentie, maar ook eerlijke concurrentie beperken.
Om verenigbaar te zijn met de vrijheid van ondernemen, moet een niet-concurrentiebeding aan heel wat voorwaarden voldoen. Het gemeen recht is daarbij de “default-optie”: dit recht is van toepassing als geen enkele bijzondere wet een andere regeling oplegt. Daarnaast bestaat er ook heel wat bijzondere wetgeving, bijvoorbeeld voor arbeidsovereenkomsten, handelsagentuurovereenkomsten, commissie-, franchise-, of verkoopconcessieovereenkomsten. In deze nieuwsbrief behandelen we eerst de algemene gemeenrechtelijke regels. In een volgende nieuwsbrief zullen vervolgens de verschillende bijzondere regimes aan bod komen.
Dubbele geldigheidsvoorwaarde: negatief en positief
Het gemeen recht onderwerpt niet-concurrentiebedingen zowel aan een negatieve voorwaarde (wat mag het beding niet doen?) als aan een positieve voorwaarde (wat moet het beding wel doen?).
De negatieve voorwaarde is dat het niet-concurrentiebeding de vrijheid van ondernemen niet overdreven mag inperken. De ondernemer mag niet zodanig belemmerd worden in zijn vrijheid dat hij niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. Dit vage criterium wordt door de rechtspraak op drie punten concreet ingevuld.
- Ten eerste moet het niet-concurrentiebeding in de tijd beperkt worden: het mag niet langer duren dan de tijd die de beschermde partij nodig heeft om zijn cliënteel te vormen of aan zich te binden.
- Ten tweede moet het niet-concurrentiebeding ook in de ruimte beperkt worden tot de plaatsen waar de beschermde partij actief is.
- Tot slot moet het niet-concurrentiebeding beperkt blijven tot dezelfde soort activiteiten als de beschermde partij.
Deze criteria moeten geval per geval beoordeeld worden, afhankelijk van de concrete omstandigheden. Heeft een partij bijvoorbeeld zware investeringen gedaan om een activiteit te kunnen uitoefenen, dan kan een rechter oordelen dat het niet-concurrentiebeding uitgebreider mag zijn dan in een geval waarin de investeringen eerder beperkt blijven.
Over de vraag of het gebrek aan uitdrukkelijke vermelding van deze beperkingen in het contract automatisch lijdt tot nietigheid van het niet-concurrentiebeding, bestaat verdeeldheid. Om elk risico te vermijden, vullen partijen deze drie beperkingen in het contract daarom best uitdrukkelijk in, bijvoorbeeld: “Gedurende drie jaar (tijd) mag partij X geen liftinstallaties plaatsen, noch onderhoudsdiensten aan liftinstallaties leveren (activiteiten) binnen een straal van 30 kilometer rond Merelbeke (ruimte)”.
De positieve voorwaarde is dat de partij die de vrijheid beperkt een proportioneel rechtmatig belang moet kunnen aantonen. De beperking van de vrijheid van ondernemen mag niet verder gaan dan wat proportioneel is ten opzichte van het nagestreefde rechtmatige belang (bijvoorbeeld bescherming van cliënteel, bescherming van knowhow…). Een aantal jaar de kans krijgen om een zware investering terug te verdienen kan bijvoorbeeld een rechtmatig belang zijn, maar als de ondernemer zijn investering perfect kan terugverdienen op één jaar tijd, dan is het disproportioneel om concurrentie gedurende drie jaar te verbieden.
Indien aan een van beide (positieve of negatieve) voorwaarden niet is voldaan, dan is het niet-concurrentiebeding absoluut nietig. Dit betekent dat de rechter dit beding buiten toepassing moet laten, zelfs als de ondernemer die in zijn vrijheid beperkt wordt hier niet om gevraagd heeft. In plaats van het beding volledig buiten toepassing te laten, kan de rechter in bepaalde gevallen het beding ook matigen en dus een minder strenge invulling toepassen. Hiervoor zal de vragende partij moeten aantonen dat deze minder strenge invulling al van bij het sluiten van het contract de bedoeling van de partijen was. Om bewijsmoeilijkheden te vermijden, doen partijen er daarom goed aan om in hun contract een zogenaamd “deelbaarheidsbeding” op te nemen, bijvoorbeeld:
"Indien een bepaling van deze overeenkomst nietig zou blijken, dan zal deze bepaling automatisch vervangen worden door de wettige, geldige en afdwingbare bepaling die de oorspronkelijke bepaling zowel qua inhoud, qua draagwijdte als qua bedoeling het dichtst benadert."
De afdwingbaarheid van niet-concurrentiebedingen
Tot slot is het zeer belangrijk dat een geldig niet-concurrentiebeding ook daadwerkelijk kan worden afgedwongen. Contracten zijn immers maar nuttig indien ze ook worden nageleefd. Een geldig niet-concurrentiebeding afdwingen, kan op vier verschillende manieren.
- Ten eerste kan een partij de uitvoering in natura vragen. Dit betekent dat de contractuele verplichting zoveel mogelijk wordt uitgevoerd door de concurrentie zo snel mogelijk stop te zetten. Hiervoor kan de partij een rechterlijk bevel tot stopzetting vragen, desnoods met veroordeling tot een dwangsom zo lang de concurrentie blijft duren.
- Ten tweede kan een partij ook een schadevergoeding vragen. De schade die hij geleden heeft doordat het niet-concurrentiebeding wordt geschonden, wordt dan in geld vergoed. De concrete begroting van deze schade is vaak geen evidentie. De benadeelde partij zal immers moeten bewijzen dat hij specifiek door de aangedane concurrentie minder omzet draait, maar omzet kan door meerdere factoren beïnvloed worden. Een oplossing voor deze moeilijkheid kan zijn dat de partijen in het contract een forfaitair schadebeding voorzien voor een vast bedrag dat dan niet meer moet worden bewezen.
- Ten derde kan een partij de volledige overeenkomst ook ontbinden (dit betekent doen alsof de overeenkomst nooit heeft bestaan) of onmiddellijk beëindigen, zonder dat hij daarvoor enige schadevergoeding verschuldigd is. De tekortkoming van de andere partij moet daarvoor wel ernstig genoeg zijn, anders begaat de benadeelde partij zelf een fout. Het is daarom ten sterkste aan te raden om vóór het inroepen van deze sanctie juridisch advies in te winnen.
- Tot slot zou een partij in uitzonderlijke omstandigheden ook een stakingsvordering kunnen instellen bij de voorzitter van de rechtbank. Normaal gezien zijn stakingsvorderingen niet mogelijk voor inbreuken op een contractuele verplichting, maar enkel voor inbreuken van buitencontractuele aard, zoals een wettelijke overtreding. De vragende partij zal dus moeten aantonen dat zijn contractpartij los van het contract bijvoorbeeld ook de wet overtreedt, zoals door eerlijke marktpraktijken te schenden. Zelfs als de rechter dit bewezen acht, kan hij enkel de stopzetting van het gebruik van de ongeoorloofde middelen bevelen en niet de stopzetting van de concurrentie op zich. Ook als niet de contractpartij zelf, maar wel een derde wetens en willens medeplichtig is aan de contractbreuk van de contractpartij, dan kan de rechter deze derde wel bevelen om deze activiteit stop te zetten.
U dient dus vooral de volgende zaken onthouden:
- Zorg dat uw niet-concurrentiebeding geldig is door aan alle gemeenrechtelijke voorwaarden te voldoen. Voor bepaalde contracten gelden bijzondere voorwaarden, die we zullen bespreken in een volgende nieuwsbrief.
- Zorg dat uw niet-concurrentiebeding daarnaast ook eenvoudig afdwingbaar is. Vergemakkelijk uw eigen bewijslast door te voorzien in een deelbaarheidsbeding en een forfaitair schadebeding.
NOMA, uw juridisch ankerpunt bij contracten en niet-concurrentiebedingen
Een niet-concurrentiebeding is maar zo sterk als zijn formulering. Wie de drie parameters - tijd, ruimte en activiteiten - niet uitdrukkelijk vastlegt, riskeert een beding dat op het cruciale moment niet standhoudt. De advocaten van NOMA zijn gespecialiseerd in het contractenrecht en helpen u graag bij het opstellen of toetsen van uw clausules. Heeft u vragen over de geldigheid van een niet-concurrentiebeding of wenst u bijstand in een discussie over de afdwinging van een niet-concurrentiebeding? Aarzel niet om de experten van NOMA te contacteren.
Op zoek naar een toegewijde advocaat?
Het team van NOMA staat voor u klaar met gespecialiseerd advies en begeleiding op maat in een vertrouwelijk kader!
Neem gerust contact op voor een persoonlijk gesprek op onze kantoren in Brussel, Brugge of Kortrijk.
Juridische tips onderweg?
Welkom bij Law by NOMA, een glasheldere blik op de juridische actualiteit. In deze podcast delen de advocaten van NOMA hun expertise. Praktisch, toegankelijk en to the point, op maat van ambitieuze ondernemers en bedrijven.